London, baby!

Binnen twee weken nog eens naar Londen, de stad waar ik m’n hart gigantisch aan verloor. Vorig jaar echt ontzettend vaak geweest, zowel voor ’t werk als voor ’t amusement. Een citytrip en een bezoek aan MozFest waren toen m’n persoonlijke deel.

Ik maakte er vanalles mee in dat jaar: workshops met hooggeplaatste medewerkers van de Amerikaanse democraten, een spontane bijeenkomst van belangrijke Britse bierbrouwers, een geweldige graffitiwalk door Shoreditch of het bericht dat m’n vriendin twee maanden te vroeg op bevallen stond en de laatste Eurostar van die dag nét vertrokken was. De meest gezellige en meest eenzame uren van m’n leven beleefde ik in de mooiste stad ter wereld.

Het was stiekem m’n persoonlijke carriereplan: blijven werken als digital campaigner in de politiek om dan als freelancer of medewerker bij het techbedrijf waar we nauw mee samenwerkten aan de slag te gaan. Met natuurlijk heel veel uitstapjes of korte verblijven aan de Theems. Maar het leven liep anders. Niet beter of slechter, al zal ik heel m’n leven met een “wat als”-gevoel zitten.

Binnenkort zijn we er weer. Een paar dagen. Aanleiding: de Amerikaanse honkballiga – Major League Baseball – besloot om een wedstrijd van dé allergrootste rivaliteit in de sportgeschiedenis te laten spelen in het Olympic Stadium, daar waar nu West Ham z’n thuishaven heeft.

En hoe hard ik daarnaar uitkijk, ge kunt u dat niet inbeelden. In St. Pancras van de sneltrein stappen voelt altijd ontiegelijk hard als thuiskomen.

De algoritmes en trackers op het internet hebben het natuurlijk ook in de smiezen, dat krijg je als je alles online boekt. Dus de mailbox zit ondertussen al vol met gesponsorde lijsten met dé ultieme toptips voor het bezoek.

Plan van aanpak? Aankomen en pub food gaan lunchen. Dan ergens een veel te hippe koffiebar binnensteken om een veel te dure Flat White te drinken en een zakje filterkoffie mee te nemen. Ondertussen al eens nadenken waar we ’s avonds gaan eten en op Untappd kijken waar de meest trendy bieren in de buurt geschonken worden.

Ondertussen heb ik zo mijn adresjes in Londen en dat scheelt enorm veel. Allez, niet letterlijk, van de meeste zaken zou ik zelfs de naam niet kunnen zeggen, maar ik kan blindelings naar een prachtpub lopen die een goed aanbod combineren met organische vegetarische gerechten, of naar dat kleine aangewasemde zaakje waar ze geweldige Pho op tafel zetten. Of die kleine koffiebar in een bootje langs Regents Canal, met z’n gezellige onlogische boekenwinkel.

Ik had het vorig jaar nooit gedacht dat ik ooit nog Brexitloos naar daar zou kunnen reizen, maar zie, het lukt dan toch. Misschien is ondertussen Boris premier en kunnen we daar ergens aan de Big Ben mee gaan betogen voor ’t een of ’t ander. Altijd leuk.

Ik zet hier ondertussen de BBC-reeks over Margareth Thatcher op, zodat we ginder toch ook wat kunnen meepraten.

Pip pip, cheerio, mind the gap between the train and the platform en al!

The Sweetgreen-ification of Society

Ranjan bij The Margin:

We are losing the spaces we share across socioeconomic strata. Slowly, but surely, we are building the means for an everyday urbanite to exist solely in their physical and digital class lanes. It used to be the rich, and then everyone else. Now in every realm of daily consumer life, we are able to efficiently separate ourselves into a publicly visible delineation of who belongs where.

Iets wat me de laatste tijd ook meer en meer opvalt, hoe een bepaalde klasse klant is bij De Lijn, Aldi en Panos en hoe een andere klasse dat is bij Bird, Delhaize en Starbucks.

Mediteren

Ik wil al lang iets schrijven over meditatie. Om deze post te starten ging ik op Pexels even op zoek naar een goede bijpassende afbeelding. En de clichés stapelden zich al gauw op. (Kijk gerust zelf.) Zo’n boedhabeeldje, een monnik met de handpalmen tegen mekaar of een hippiegrietje met de benen in kleermakerszit op een geweldig ontspannende locatie. Het geeft de gewoonte die ik ondertussen al 14 jaar probeer te onderhouden een nogal vreemde bijsmaak.

Door personal shit raakte ik op m’n zeventiende aan de praat met een therapeut die me wat goed advies gaf. En één van die dingen was mediteren. Elke dag een tijdje stil zitten met je eigen gedachten.

Nee, je hoeft daar niets meer bij te bedenken. Geen “oooohm”, geen yogaposes, geen geestesverruimende kruiden. Gewoon stil zitten, op je adem letten en de gedachten laten voorbijkomen zonder daar meteen een oordeel over te vellen of actie te ondernemen.

Je kan je inbeelden dat dat als puber een overtreffende trap van awkward was: je gedachten zijn je ergste vijand.

Maar ik moet na al die jaren toegeven dat ik er méér en méér nood aan gekregen heb. Ik leef heel hard in een always on-cultuur. Het ene brokje informatie wordt afgewisseld met een ander brokje verontwaardiging en godverdomme de wereld is naar de kloten, maar hé kijk daar eens en voor je het weet heb je weer – hè, deze zin leidt nergens naar. Om maar te zeggen…

En dus probeer ik mij elke dag twintig minuten te zetten, in de zetel, op de trein, in een ongebruikt vergaderzaaltje om even te mediteren. Even de stekker uit de wereld trekken, adem halen en de batterij vol tanken.

Veertien jaar geleden was dat door af en toe eens naar de klok te kijken en wanneer ik ’t beu was, dan stopte het. Nu doe ik dat al menige jaren met een app waar ik meer dan graag voor betaal: Headspace. En ja, dat is zoals die scenes in films of tv-series waar iemand naar een cassetje luistert dat zegt dat ze vooral niet veel moeten doen, maar bij mij werkt dat echt véél beter dan het op m’n eentje te doen. En doordat ik betaal ben ik ook wel geneigd om dat vaker effectief te doen (het bekende fitness-effect).

Het lijken telkens, ook na zoveel jaar, verloren minuten waarin je helemaal niéts gaat doen. En net dat maakt het zo’n meerwaarde, want dat doen we haast nooit meer: niéts. Als kind kon ik daar eindeloos van genieten: om mezelf steendood te vervelen. Menig verhaal schreef ik in m’n hoofd terwijl ik in de verte staarde, zelfbedachte spelletjes die je vijf minuten later zelfs niet meer kon herhalen of de edele kunst van op een bankje te zitten wachten tot de mama mij kwam halen. Nu kan ik het niet meer: op de trein zit er een podcast in de oren, tijdens het wandelen dat laatste nieuwe album dat één of ander algoritme me toeduwt en in bad kijk in naar wat YouTube of Netflix me aanbevelen.

En dan is 20 minuten van de wereld verdwijnen door er eigenlijk helemaal op te focussen ongelooflijk verfrissend. Vaak voelt het als een koele douche op een snikhete dag: je kijkt er tegenop maar je weet dat je er deugd van gaat hebben.

…..

Iets gehad aan dit bericht of andere berichten op mijn blog? Denk dan eens na of je een centje wil bijdragen. Dat kan via Patreon.

How Online Shopping Makes Suckers of Us All

Interessante blik op het ontstaan van het prijskaartje samen met de komst van grootwarenhuizen. Het was te moeilijk om honderden medewerkers te trainen in de weledele kunst van het afdingen, dus werd een standaardprijs ingevoerd. En dan later kwamen de kortingsbonnen, omdat iedereen toch wel graag een betere prijs kreeg dan zijn buurvrouw. En dan kwamen online winkels en verandert er weer heel wat.

The right price—the one that will extract the most profit from consumers’ wallets—has become the fixation of a large and growing number of quantitative types, many of them economists who have left academia for Silicon Valley.

Gerelateerd: Een spelletje “Can you beat this pricing algorithm?”

Better Schools Won’t Fix America

Nick Hanauer in The Antlantic:

Educationism appeals to the wealthy and powerful because it tells us what we want to hear: that we can help restore shared prosperity without sharing our wealth or power.

Herkenbaar, in mindere mate, voor ons land. De werkloosheid staat op een laag pitje, het aandeel hogere diploma’s is groter en toch stijgt de (kinder)armoede. De motor sputtert en de oplossing ligt niet (alleen) in de klas.

“Belgisch bier is toch wel het beste van de wereld, hè?”

Je weet misschien wel dat ik een leuke hobby als bijberoep heb: bier. Ik geef degustaties op verplaatsing, brouwdagen als teambuilding en rondleidingen in de lokale brouwerij. En één vraag komt ontzettend vaak terug. Het is ook niet écht een vraag, het is eerder een veronderstelling waar mensen een bevestigend antwoord op willen. Misschien is het een retorische vraag?

Mensen zien me na zo’n hele uitleg een beetje als expert, als iemand die meer weet dan hen. Een ideaal moment dus om even te checken of hun gedacht effectief wel klopt.

“Belgisch bier is beter dan dat van de rest van de wereld,” hoor ik hen dan aarzelend beweren. Al dan niet gecombineerd met een zelfverzekerde sneer naar Heineken of Budweiser. Ook gisteravond kwam die vraag weer. En ik heb er de laatste tijd vaak over zitten nadenken.

En ik vind dat dat al even niet meer het geval is. Pas op: zet mij een Chimay, Orval of geuze voor en ik ben de gelukkigste mens ter wereld. Maar qua biercultuur zijn we al enige tijd ter plaatse aan het trappelen.

De rest van de wereld ontdekte de afgelopen twintig jaar bier als iets artisanaal: je kan het makkelijk thuis maken en je kan er ontzettend veel kanten mee uit. Die buitenlandse bierliefhebbers zijn dan massaal naar België gekomen, het walhalla van het bier, om hier te kijken wat wij allemaal doen om al die bangelijke producten te maken. En dan zijn ze naar huis gegaan en hebben ze er hun eigen ding van gemaakt. Gewoon, omdat het kan.

De Amerikanen ontdekten in Europa het verhaal van de Indian Pale Ales, bier waarbij een onsmakelijke hoeveelheid hop nodig was om de lange boottocht naar de Indische kolonie te overleven. Ze namen die kennis mee en gebruikten smaakvolle hopsoorten die in Amerika ontwikkeld werden om exotische, bittere of bloemige bieren mee te maken.

De Italianen zaten massaal zonder werk wat hen aanzette om eigen zaakjes op te richten en om goedkoper te gaan leven. Enkele jonge gasten, soms op Erasmus, kwamen in België ontdekken hoe ze bier moesten maken. Die kennis namen ze mee naar huis en werd vermengd met wat ze al wisten over wijn. En zo kwamen de barrel aged bieren op de markt, op vat gerijpt zoals een goede wijn.

Creativiteit is mijns inziens al lange tijd weg uit de mainstream biercultuur in België. Natuurlijk zijn er brouwerijtjes – zoals pakweg de Struise Brouwers uit Oostvleteren of Brouwerij ’t Verzet uit Anzegem – die dat wél doen en genoeg cafés die dat ook aanbieden. Maar de laatste tijd zijn de meest hippe bieren gebaseerd op wat men in ’t buitenland doet. Tien jaar geleden was het in Amerika dé hype om Belgian style ales te brouwen, afkooksels van wat er hier bestond. Nu is het omgekeerde waar: elke hippe brouwerij brengt wel een IPA, een barrel aged, een saison of een hefeweizen op de markt; dingen die in ’t buitenland gebeuren.

Maken wij nog altijd de beste bieren ter wereld? Natuurlijk, die worden nog altijd hier gemaakt. Zijn wij de leiders in de mondiale biercultuur? Nee. En dat vind ik best wel spijtig.